Column

Zwaartekracht, economie en tweedehands materiaal in tijden van crisis

Maarten Gielen (Rotor) over de perverse materialen economie in het licht van de mondiale klimaat- en ecologische crisis. ‘De economie’ is geen natuurwet, het is door mensen geconstrueerd, het kan veranderen. Een verhaal in vijf hoofdstukken.

kermisattractie Rotor

afbeelding website Rotorsensation

Hoofstuk een: De Zuidfoor

Elke zomer verandert een deel van de Grote Ring rond Brussel zeven weken lang in een geïmproviseerd pretpark. Er worden allerlei attracties in elkaar geschroefd en een indrukwekkend aantal kraampjes met troosteten voor de massa opgebouwd. Er is een achtbaan, een reuzenrad, casino’s met muntenschuivers en gokkasten, botsautootjes, en nog véél meer. Elke attractie heeft zijn eigen geluidsspoor van pompende housemuziek en geluidseffecten. De toegang tot de Zuidfoor, zoals de kermis heet, is gratis en veel jongeren hangen er gewoon rond om van de sfeer te genieten. Pas als je in een van de attracties wilt, moet je betalen.

Er is één structuur die in het bijzonder aandacht verdient. Deze bestaat uit twee ondoorzichtige cilinders, de ene boven de andere. Op de bovenste, die groter is, staat met grote vetgedrukte letters: R O T O R. Ik werk bij een bedrijf dat dezelfde naam draagt als deze attractie. Elke zomer krijg ik minstens een aantal berichtjes van mensen die vragen of ik weet heb van die ‘andere’ Rotor.

Betalende klanten van de Rotor – die op de Zuidfoor – lopen de onderste, kleinere cilinder in. Als er genoeg mensen zijn ingestapt, begint deze te draaien, om een centrifugaalkracht te creëren die de passagiers tegen de zijwanden drukt en hen daar immobiliseert. Er is ook een kaartje te koop waarmee je de trap op kunt klimmen naar de tweede cilinder, die stil blijft staan. Daar is het leuk omdat je er van boven af kunt kijken naar de mensen die in de onderste cilinder lichamelijk proberen om te gaan met de ongewone ervaring waaraan ze worden blootgesteld. Wanneer de onderste ruimte op kruissnelheid draait, is de centrifugaalkracht sterk genoeg om de zwaartekracht te overstijgen. Dankzij deze centrifugaalkracht is het in theorie mogelijk om rechtop op de binnenwand van de cilinder te staan. Officieel is dit verboden (denk aan het aansprakelijkheidsrisico), maar het kijkgedeelte zou niet veel tevreden klanten hebben als er niet altijd een paar mensen waren die het toch probeerden. Zo rechtop staan is best moeilijk en vergt veel oefening. De meeste mensen zijn niet bereid een fortuin aan kaartjes uit te geven, maar mits moedig genoeg zijn de meeste mensen wel in staat op handen en knieën rond te kruipen, met de wand als vloer.

Na een paar minuten gaat de cilinder langzamer draaien en moet men weer rekening gaan houden met de zwaartekracht. Er wordt geleidelijk aan vaart geminderd om de passagiers de kans te geven te wennen aan de veranderende omstandigheden. Bij de uitgang wordt er een laatste poging gedaan om de ervaring te gelde te maken. Daar worden foto’s van de passagiers te koop aangeboden.


Hoofdstuk twee:
De oprichting van Rotor

Stel je een hoog gebouw voor, dat nog gebouwd moet worden. Het zal van boven tot onder bedekt worden met prachtig wit marmer. De architecten behalen met een enkel besluit twee afzonderlijke resultaten: een gat, en een gebouw. Het directe resultaat van een zorgvuldig georkestreerd proces van materiaalaccumulatie zal een toren zijn. Het indirecte resultaat zal een negatief product zijn: ergens ter wereld getuigt een groot wit gat van het geleverde marmer. Het is eigenlijk heel opmerkelijk dat slechts één van deze resultaten als een onderdeel van de architectuur wordt beschouwd. Niemand vraagt architecten, landschapsarchitecten en ontwerpers naar hun mening over de beste vorm van het gat in de steengroeve. Ook de fundamentelere vraag, of dat gat er wel moet komen, wordt hen niet voorgelegd. In feite worden er grote inspanningen geleverd om het marmer zodanig te abstraheren dat het kan worden behandeld als een louter digitaal object, een textuur die met een paar klikken kan worden veranderd. Gigantische graafmachines die blokken steen uit de steengroeve halen, vrachtwagens die de zware blokken de berg af voeren, enorme zaagstations die de blokken in platen zagen, nog meer vrachtwagens, transport overzee via containerschepen en terminals: allemaal zaken die ontketend worden door een architectonisch besluit, maar waar niemand het over heeft.

Ik was eens in de gelegenheid om de materiaalbibliotheek van het hoofdkantoor van SOM in Chicago te bezoeken. In een speciale kast lagen honderden monsters van gepolijste steen op A4-formaat. Op sommige van deze mini-plaatjes stond een rode stip. Toen ik navraag deed, kreeg ik te horen dat dit betekende dat de steengroeve waar de betreffende steen werd gewonnen uitgeput was, en dat de steen dus niet langer kon worden uitgekozen voor architectonische projecten.

Om meer inzicht te krijgen in de machinaties van de materiaaleconomie richtte ik samen met Tristan Boniver en Lionel Devlieger rond 2007 Rotor op. Iedereen die geïnteresseerd is in materiaal – materie die op de een of andere manier door mensen is getransformeerd – wordt vroeg of laat geconfronteerd met het afvalvraagstuk. De overgrote meerderheid van alle bestaande materialen is òf nu al afval, òf hard op weg om afval te worden. Dit afval wordt uiteindelijk vroeg of laat afgevoerd naar stortplaatsen, verbrandingsovens en andere afvalverwerkingsinstallaties om daar te worden versnipperd, vermalen, gesmolten of op een andere manier te worden gedegradeerd. Weet u die steenmonsters nog die zo handig door de bibliothecaris van de materiaalbibliotheek van SOM met een rode stip waren gemarkeerd? De enorme partijen steen die ze eens vertegenwoordigden zijn niet verdwenen; ze zijn niet van deze planeet meegenomen door een buitenaardse beschaving. Een deel van die partijen heeft hooguit enkele tientallen jaren dienst gedaan – als gevelbekleding of bestrating, bijvoorbeeld – en is daarna vermalen en weggegooid of gebruikt als waardeloos ingrediënt in een of ander aggregaat. Eerder is al bijna een derde van het geëxtraheerde volume van een bepaalde soort natuursteen in de groeve verloren gegaan, als productieafval.

Wij waren als ontwerpers – of zo u wilt, als onderzoekers – geïnteresseerd in het potentieel van deze enorme afvalstromen. We vonden het een belangrijk onderwerp, een onderwerp dat over het hoofd werd gezien – vooral in het licht van de tweeledige klimaat- en ecologische crisis.


Hoofdstuk drie:
De oprichting van Rotor Deconstruction

Na een snelle start was Rotor inmiddels de primaire werkgever van Tristan, Lionel, mijzelf en een handvol andere medewerkers geworden. We hadden Rotor opgezet als een bedrijf zonder winstoogmerk en vormden een groeiend collectief van gelijkgestemde individuen. Enkele meevallers droegen bij tot de internationale bekendheid van onze organisatie. Een reeks tijdelijke architectonische interventies in Brussel leverde ons zoveel erkenning op, dat we in 2010 de opdracht kregen om het Belgische paviljoen voor de Architectuurbiënnale van Venetië te ontwerpen. Daar trok onze tentoonstelling de aandacht van een groot aantal internationale journalisten zowel als, meer specifiek, die van Rem Koolhaas, die Rotor uitnodigde om een retrospectieve tentoonstelling van OMA’s werk samen te stellen voor in het Barbican in Londen. We exposeerden bij Fondazione Prada tijdens de Salone del Mobile in Milaan; we wonnen samen met V+ een wedstrijd om een mode- en designcentrum te ontwerpen. De telefoon rinkelde en we hadden geen gebrek aan klanten.

We waren nog steeds vooral geïnteresseerd in materialen, en in hun kwalificatie als afval. Maar er zijn grenzen aan de hoeveelheid locaties die je kunt bezoeken en onderzoeken die je kunt uitvoeren. We hadden behoefte aan meer praktijkkennis en in een moment van strategische onderschatting hebben we toen een nieuw bedrijf opgericht, genaamd Rotor Deconstruction, of RotorDC.

Rotor Deconstruction houdt zich bezig met het eindgebruik van gebouwen. We proberen alternatieve materiaalbeheerstrategieën te ontwikkelen: manieren om te voorkomen dat materialen afvalproducten worden, door ze in hun bestaande vorm bruikbaar te houden zonder dat daar al te veel bewerking voor nodig is. Net zoals we regenjassen niet telkens als het stopt met regenen weggooien, maar opbergen, kunnen we misschien bouwmaterialen na hun eerste gebruik schoonmaken, opslaan en voorbereiden op een volgende gebruiksronde.

Bij een grootschalig hergebruik van bouwmaterialen hebben planologen en ontwerpers de beschikking over een bredere, genuanceerdere reeks opties, die de dichotomie van behoud versus sloop overstijgt. Hergebruik zou een dynamische en constante vernieuwing van onze gebouwde omgeving mogelijk maken, zonder dat we telkens bij nul hoeven te beginnen. Als een gebouw als geheel niet langer geschikt is voor gebruik, kan het om te beginnen worden beschouwd als een verzameling componenten en pas daarna als een verzameling moleculen, wat tegenwoordig de standaardmodus is.

In de begindagen van RotorDC bestond onze strategie eruit om werkelijk álles aan te pakken. We gingen op zoek naar gebouwen die op het punt stonden gesloopt te worden. We onderhandelden met de eigenaars en boden aan de gebouwen in ruil voor de materialen gratis te ontmantelen. Die operaties werden dan geheel gefinancierd door de verkoop van de door ons herwonnen materialen, die we eerst in onze werkplaats moesten bewerken om ze geschikt te maken voor hergebruik. Soms raakten we ook betrokken bij nieuwe ontwerpen en bij het hergebruik van de materialen. We waren indertijd wat in de industrie ‘verticaal geïntegreerd’ wordt genoemd.

We hadden baat bij de heilzame aandacht van de plaatselijke architectuurscene. Mensen kochten de materialen die wij hadden herwonnen, ook al waren ze soms iets duurder dan nieuwe materialen, en iets lastiger om mee te werken. We stelden onszelf een ambitieus doel: herwonnen bouwmaterialen moesten even gemakkelijk te gebruiken zijn als equivalente nieuwe producten. Om dit te bereiken zetten we gericht werkplaatsen op voor specifieke materialen. Hier worden bijvoorbeeld verlichtingsarmaturen opnieuw bekabeld, getest en soms zelfs omgebouwd zodat er energiezuinige ledlampen in passen. We hebben een spijkerverwijderaar voor houten vloerplanken gebouwd; ook hebben we fors geïnvesteerd in een reeks zuurbaden om mortel mee van tegels te verwijderen (door middel van een proces dat de tegels intact laat en een zeer lage milieu-impact heeft). De installatie kan een paar duizend vierkante meter tegels per jaar reinigen, is modulair en kan gemakkelijk worden uitgebreid.

Toen kwamen we in een beslissend stadium terecht. RotorDC was opgericht met relatief weinig startkapitaal en ontving heel weinig overheidssteun (vooral voor Onderzoek&Ontwikkeling). Het bedrijf groeide en was bijna rendabel. En toen was het dat niet meer. De materialen waar ons bedrijfsmodel op gebaseerd was, waren veel uitzonderlijker dan we hadden gedacht. Een van de eerste gebouwen die we ontmantelden, leverde enorme hoeveelheden waardevolle materialen op. Achteraf beseften we dat we waarschijnlijk niet nóg eens zo’n aantrekkelijk project zouden tegenkomen. Stel je voor dat een ploeg enkele dagen bezig is met het verwijderen van deurknoppen van 1.000 euro per stuk. Alleen al het losmaken van vier schroeven leverde 1.000 euro aan goederen op. Nog vier schroeven en we zaten al op 2.000. En dan was er nog het graniet, de koperen bekleding, grote hoeveelheden wengéhout, designmeubilair, enzovoort. We hebben voor honderdduizenden euro’s aan materiaal uit dat gebouw gehaald.

We kwamen er dus langzaam maar zeker achter dat de meeste andere dingen die we hadden gedaan – zoals aanbieden om gratis te ontmantelen – ons heel veel geld kostten. Als je alleen maar af en toe een paar deurknoppen hoeft te verkopen om rond te komen, dan kun je dat doen. Maar niet als er geen deurknoppen meer zijn.

delven van marmeren vloerdelen

afbeelding website Rotor


Hoofdstuk vier:
Stoeptegels

Stel je een standaard stoeptegel voor, een eenvoudig en begrijpelijk product. Dergelijke massieve betonblokken van 30 x 30 x 9 cm wordt in grote hoeveelheden geproduceerd in een industriële pers en gebruikt om stoepen te betegelen. Om stoeptegels te plaatsen is geen mortel nodig. Ze worden gewoon in een halfsteensverband naast elkaar gelegd. In theorie zijn ze gemakkelijk te herwinnen. Nadat je de eerste rij hebt los gewrikt, kun je alle andere stoeptegels gewoon met de hand oppakken.
Ondanks de enorme ecologische voetafdruk van beton en het relatieve gemak waarmee het materiaal kan worden herwonnen, is hergebruik van betonnen straatstenen in de context van West-Europa zeer oneconomisch. Het kost meer om het materiaal te herwinnen dan dat het waard is.
In landen als India kan het wel goedkoper zijn om zulke tegels te hergebruiken dan om nieuwe te bestellen, omdat de prijs van arbeid daar lager is. Maar in het grootste deel van Europa, Noord-Amerika en vele andere regio’s is het tegenovergestelde het geval.

Als we ervan uitgaan dat alle bedrijven ten minste rendabel moeten zijn om te kunnen blijven bestaan, dan kunnen we de herbruikbaarheid van materialen toetsen aan het volgende criterium: herwinning is alleen zinvol als het resulteert in materialen die goedkoper zijn dan nieuwe gelijkwaardige materialen. Met andere woorden:

De kosten van ontmanteling + transport + verwerking, vermenigvuldigd met een risicofactor, moeten lager zijn dan de marktwaarde van het herwonnen materiaal.

En daar zit hem de kneep: vandaag de dag geldt dit maar voor een zeer klein aantal materialen. Over het algemeen kunnen alleen de prijzen van grote hoeveelheden in perfecte staat verkerende materialen hopen te concurreren met nieuwprijzen. In de Belgische context zijn hergebruikte materialen hetzij dure varianten van goedkope materialen, hetzij goedkope varianten van dure materialen.
Neem bijvoorbeeld een houten vloer. Het demonteren van een eiken vloer is net zoveel werk en kost net zoveel als het demonteren als een grenen vloer. Het kan rendabel zijn om de eiken vloer te demonteren (en vervolgens te verkopen als een goedkope variant van een duur materiaal), maar het demonteren van de grenen vloer is dat zeker niet (want dat levert een dure variant van een goedkoop materiaal op).

Het is mijn taak bij Rotor DC om dit criterium wekelijks op honderden materialen toe te passen. Ik bezoek regelmatig slooplocaties, op zoek naar materialen die de moeite waard zijn. Ik lees slooprapporten en ontvang dagelijks tientallen e-mails over mogelijk geschikte materialen. In veel gevallen is mijn oordeel over deze materialen een definitief vonnis – zijn ze nog levensvatbaar? Het is hun laatste kans om niet als afval te eindigen.
Dit levert regelmatig zeer pijnlijke ervaringen op. Ik wijs keukens af die veel luxer en in betere staat zijn dan de keuken in mijn eigen huis, want keukens zijn niet schaalbaar. Keukens zitten vol verrassingen. De risicofactor is te groot, de marges te klein, Bulthaup of niet.

Ik voel me als een Romeinse keizer die beslist over leven en dood van de gladiatoren in de arena, behalve dan dat ik, om praktische redenen, me genoodzaakt voel om bijna alle vechters met mijn duim naar beneden te wijzen. Zij die dapper vochten en verloren: zij sterven. Zij die dapper vochten en wonnen: zij ook.
Welke materialen behoren tot de zeldzame overlevers van dit proces? Grofweg kunnen deze in twee groepen worden verdeeld. Enerzijds zijn er de zeldzame herwonnen materialen die succesvol op prijs, installatiegemak en andere eenvoudige technische of economische criteria kunnen concurreren. Anderzijds zijn er de materialen die in trek zijn op sentimentele, esthetische of culturele gronden. Denk aan een eiken vloer met een mooie ouderdomsglans of een decoratief, uit een iconisch gebouw afkomstig plafondpaneel, en aan alles dat als mid-century modern kan worden omschreven. Omdat hier zelden nieuwe equivalenten van worden geproduceerd, is de prijs minder belangrijk, maar dit geldt alleen voor die materialen die de rijkere lagen van de samenleving behagen.

Het werk van Rotor DC wordt door vakgenoten als vernieuwend erkend, maar dat komt vooral door onze inspanningen om die tweede categorie, die van ‘culturele’ materialen, voortdurend uit te breiden. Wij stellen alles in het werk om onze klanten te helpen de schoonheid te zien van andere dan premoderne bouwmaterialen met veel ‘ziel’. We gebruiken dezelfde argumenten over historiciteit en ouderdomsglans voor industriële materialen uit laatmoderne kantoorgebouwen. Opmerkelijk genoeg was RotorDC ook een van de eerste handelaars in tweedehands bouwmaterialen in België die expliciet verwees naar de milieuvoordelen van de toepassing van hergebruikte materialen. Onze herwonnen tegels hebben (bij lokaal gebruik) bijvoorbeeld 95 procent minder impact dan nieuwe equivalenten, en dat blijkt steeds vaker een goed verkoopargument – vooral voor kopers uit de hogere middenklasse.

Vindingrijkheid kan echter het feit dat het hergebruik de wind tegen heeft niet compenseren. Bij Rotor werken het equivalent van ongeveer 20 voltijdmedewerkers en we hopen uiteindelijk een omzet van ongeveer 1.000 ton materiaal per jaar te realiseren. Dat moet geen probleem zijn in een stad die jaarlijks minstens 700 keer zoveel bouw- en sloopafval produceert. En toch zijn we gedwongen om materialen ook van elders te betrekken om winstgevend te zijn.

delven van bouwmaterialen

afbeelding website Rotor


Hoofdstuk vijf:
Wanneer treedt de zwaartekracht weer in werking?

Het is overduidelijk dat wij opereren in een economie die gek is geworden. Mijn grootste zorg hier is niet dat we enorme hoeveelheden materialen nauwelijks gebruiken en rap verspillen, maar dat we een ecocide meemaken en daar onderdeel van uitmaken. Deze crisis is een direct gevolg van de manier waarop de mondiale economie functioneert. Ik vind het belangrijk om te zeggen, en steeds weer te herhalen, dat de economie door mensen is gemaakt. Het is geen natuurwet. Het is niet de zwaartekracht. Het kan veranderen. Het is een instrument.

Vergelijk onze huidige economie met de centrifugaalkracht van de Rotor, de kermisattractie. Om te beginnen moeten we erkennen dat het een werkelijk bestaande kracht is. Wie zich in de cilinder bevindt, kan er niet aan ontsnappen. In de cilinder maakt het niet uit of de kracht menselijk is of niet. Je kunt hem niet wegrelativeren. Je kunt niet zeggen: ‘Ik hou niet van deze door mensen gemaakte centrifugaalkracht en daarom ben ik er niet aan onderworpen.’ De economie heeft onze toestemming niet nodig.

Zolang de cilinder draait, is er ook maar weinig dat je kunt doen om je voor te bereiden op zijn stilstand. Sommigen beweren, na een paar jaar in de cilinder te hebben doorgebracht, dat we precies dat moeten doen – anticiperen op het moment dat het draaien stopt. We moeten de centrifugaalkracht weerstaan, zouden ze kunnen zeggen, haar negeren, onze studenten vertellen dat de huidige omstandigheden historisch gezien een anomalie zijn. Het draaien is pas een paar jaar aan de gang!

En in deze context – opgesloten in een draaiende cilinder die misschien wel of niet gaat stoppen met draaien, zonder herinnering aan de zwaartekracht – is het misschien geen gek idee om weer eens te proberen om op de vloer te lopen.

Enkele gerelateerde artikelen