Anneloes de Koff sprak met architecten die naar Nederland zijn gevlucht en na de asielprocedure hun carrière opnieuw aan het opbouwen zijn. Verhalen over toeval en die éne kans, de werkcultuur hier, veerkracht, de unieke kwaliteiten die zij meebrengen, en een oproep aan de vakgemeenschap.
illustratie Arklow Manor
Je kent het vast, dat moment waarop een kans voorbij komt waarvan je denkt dit kan iets worden. Een opdracht, een baan, een mooi project; je voelt dat het klopt en de timing juist is. Het kan mislukken, maar het kan ook lukken. Zelden voelt het alsof je hele toekomst er van afhangt. Tenders worden verloren, projecten vallen weg, bureaus krimpen, het hoort onlosmakelijk bij ons vak. Meestal kunnen we er op vertrouwen dat er weer iets anders voorbij komt. Wij vertrouwen op ons netwerk: vrienden, contacten, kennissen. Ons vakgebied lijkt een grote familie, via via (via) kunnen de meesten van ons zich ontplooien. Maar wat als dat netwerk volkomen ontbreekt? Je de onzichtbare codes niet kent? Voor nieuwkomers blijkt onze vakwereld veelal een gesloten bastion.
Saeed Jarrous (40), Hend Charaf (37) en Obaid Salem (37) werkten vier tot zeven jaar als architect in hun thuisland voordat zij moesten vluchten naar Nederland. Saeed weet scherp te verwoorden hoe waardevol die ene kans is. Tien jaar geleden kwam hij naar Nederland en na zijn tijd in het AZC begon hij aan de Academie van Bouwkunst in Rotterdam. Via de academie vond hij een werkplek bij een bureau, maar toen daar het aantal opdrachten terugliep, moest hij op zoek naar nieuw werk. Het leek een logisch moment om de stap te maken naar een groter bureau. Alleen: hoe doe je dat, zonder netwerk? “Als ik nu alles geef in mijn academieproject, dan ziet mijn docent misschien iets in mij. Misschien kent zij nog iemand”. Saeed had weinig vertrouwen dat dit plan zou slagen, het voelde niet als een kans. Maar het was dé kans, en misschien wel de enige. De diepgewortelde overlevingsdrang kwam omhoog: “Het moet nu lukken anders heb ik gefaald”. Hij zette alles op alles om uit te blinken. Onzekerheid over waar je staat en waar je naartoe gaat hoort er bij, weet hij, maar voor een nieuwkomer kan die onzekerheid zo groot worden dat ze verlammend werkt. Saeed werkte met discipline en zijn volharding bleef niet onopgemerkt. Uiteindelijk kreeg hij een baan via zijn docent bij een groter bureau.
Voor veel nieuwkomers zijn dit soort nu-of-nooit momenten geen uitzondering, maar tekenend voor hun loopbaan in Nederland. Hun start in de Nederlandse architectuur hangt vaak af van één toevallige ontmoeting, één docent die hen ziet, één iemand die zijn nek uitsteekt een telefoontje pleegt en een mogelijkheid creëert. Aan het bureau dat bereid is iemand aan te nemen zonder ‘Nederlandse werkervaring’. Door die keten voelt toeval als een zeldzaamheid die bepaalt of je je carrière hier opnieuw kunt opbouwen.
Een nieuw begin in het vak
Hend Charaf had al veel werkervaring op gedaan in Damascus en Dubai. Ze werkte daar aan grote projecten en genoot vrijheid en verantwoordelijkheid in haar positie als architect. Bij aankomst in Nederland wilde ze graag meteen aan de slag. Ze solliciteerde vele vele malen vanuit het AZC, maar niemand reageerde. Per toeval ontmoette ze uiteindelijk iemand die de moeite nam haar in contact te brengen met Ponec de Winter waar ze stage mocht lopen en vervolgens een baan aangeboden kreeg. Eén van de eerste projecten waar ze aan werkte was een sociaal woningbouwproject in Amsterdam-Noord; een gigantisch contrast met de luxe Hotels in Dubai waar budget geen rol speelde. Ze vond het een geweldig project juist vanwege de beperkingen. Hoe zorg je toch voor kwaliteit, waar zetten we op in en waar komt de focus op te liggen? “Ik heb er enorm veel van geleerd. Bijna alle ideeën die ik voorstelde waren te duur of voldeden niet aan de bouwregelgeving. Toch kreeg ik veel steun vanuit het bureau en waardeerden ze mijn input.”
Alle drie moesten aanvullende studies volgen om zich bijvoorbeeld te kunnen inschrijven in het Architectenregister. Hend wilde graag een master doen en werd toegelaten tot de TU Delft. Saeed en Obaid Salem probeerden zich ook meermaals in te schrijven aan de TU Delft, maar werden niet toegelaten ondanks hun afgeronde universitaire bachelor studies in hun thuislanden. Obaid meldde zich vervolgens aan bij de Academie van Bouwkunst in Amsterdam, maar werd afgewezen. Hij wilde het opnieuw proberen en vulde ondertussen de tijd met vrijwilligerswerk en taallessen om zo meer kans op toelating te krijgen. Het jaar daarop werd hij opnieuw afgewezen. Het bleek ook onmogelijk om een baan te vinden ondanks zijn vier jaar werkervaring in zuidelijk Jemen. Even leek een onbetaalde stage misschien een optie. “Via via kwam ik in contact met Madma Urbanism + Landscape en mocht ik langskomen voor een kennismaking. Ondertussen probeerde ik met de gemeente overeenstemming te bereiken om met behoud van uitkering een onbetaalde stage te mogen lopen. Het duurde echter zo lang voordat er antwoord kwam, dat het bureau inmiddels iemand anders had aangenomen. Ik baalde enorm.”
Obaid klopte aan bij Stichting Vluchteling-Studenten (UAF), een organisatie die studenten helpt met werk en studiebegeleiding. Afgelopen zomer meldde hij zich aan bij Fontys Hogeschool in Tilburg en werd aangenomen. Tegelijkertijd volgde hij het voorjaarstraject bij Rotterdam Academy, een programma speciaal ontwikkeld voor statushouders om hen te helpen bij de start van hun carrière. Zij brachten hem in contact met Heijmans waar hij een baan aangeboden kreeg – een reden voor Heijmans om mee te doen aan dit programma is de wens tot diversificatie van het personeelsbestand. Inmiddels werkt hij als projectmedewerker bij het vastgoeddepartement. Hij verricht hier architectenwerkzaamheden maar heeft niet de kwalificaties voor het Architectenregister. De combinatie van werken en studeren aan Fontys is voor Obaid momenteel niet te verenigingen daarmee blijft zijn toegang tot het vak vooralsnog uitgesteld.
Kwaliteiten en competenties
Het niet beheersen van de taal is een van de grootste barrières voor nieuwkomers. Architectenbureaus zijn sterk Nederlandstalig georiënteerd, in veel vacatures wordt expliciet een goede beheersing van het Nederlands gevraagd. Je zou kunnen stellen dat het leren van de taal nog onder ‘eigen verantwoordelijkheid’ valt: iets waar je zelf actief stappen in kunt zetten. Maar dan moet er wel de mogelijkheden zijn om de taal te leren. De overheid biedt pas volwaardige taallessen aan zodra iemand een status heeft, een moment dat vaak samenvalt met het sollicitatieproces. Je weet dan pas definitief waar je mag gaan wonen en dus een baan kan gaan zoeken. Daarvóór hangt het taallessenaanbod af van het AZC waarin iemand verblijft, en die voorzieningen zijn doorgaans minimaal. Bovendien leer je Nederlands pas echt goed, inclusief het benodigde vakjargon, wanneer je werkt in een omgeving waar de taal dagelijks wordt gesproken en je volledig wordt ondergedompeld.
Wanneer het gaat over het ontbreken van een professioneel netwerk en kennis over hoe het systeem hier functioneert, gaat de redenering ‘eigen verantwoordelijkheid’ zeker niet op. Zowel Saeed, Hend en Obaid geven aan dat ze een netwerk missen en niet weten waar zij dit kunnen opbouwen. De vakwereld voelt weinig zichtbaar en blijkt bovendien sterk versnipperd. Ze bestaat uit kleine netwerken waar je maar net toevallig vanaf moet weten en in moet worden opgenomen. “Als nieuwkomer heb je het moeilijk en is het lastig om opgenomen te worden.” Hend bezoekt daarom veel architectuurevenementen om haar netwerk uit te breiden en anderen te ontmoeten. “Wat zou helpen is een landelijke pagina waarop alle architecten met contactgegevens en een korte achtergrondbeschrijving te vinden zijn. Dan kun je hen vrij benaderen en kan ik bijvoorbeeld mensen zoeken die hetzelfde proces hebben doorlopen als ik, zodat ik hen om advies kan vragen.”
Hier zit dus duidelijk een lacune in de begeleiding die statushouders vanuit gemeenten, tegelijkertijd ontbreekt in de Nederlandse architectuurpraktijk een duidelijke instapinfrastructuur voor nieuwkomers. Dit is echt een gemiste kans, hun potentieel is groot. Saeed, Hend en Obaid werkten vóór hun vlucht meerdere jaren als architect in het Midden Oosten. Ze schetsen een werkcultuur die wordt gekenmerkt door improvisatie en een grote mate van chaos. Als architect moet je daar moeiteloos kunnen schakelen tussen de rol van ontwerper, ingenieur, constructeur en voorman op de bouwplaats. Saeed: “de omstandigheden zijn daar leidend, je hebt er maar beperkt grip op. Hier in Nederland werkt men juist proactief: je laat je niet sturen door de omstandigheden, maar creëert ze zelf.” Obaid benadrukt hoe belangrijk het is om sterke overtuigingskracht te hebben richting vaak dominante opdrachtgevers. Contracten bieden weinig zekerheid, betaling kan uitblijven. Bovendien ontbreekt het aan stevige overheidskaders of een betrouwbare beroepsorganisatie. Corruptie komt voor en een helder gedefinieerd ontwerpproces, waarin iedere partij zijn rol kent en die van een ander respecteert, is er niet. In die context moeten architecten ongewoon flexibel en veerkrachtig zijn, voortdurend oplossingen zoeken om verder te kunnen. Het zijn vaardigheden die levenslang van waarde zijn en die in Nederland moeilijk aan te leren zijn. Waardevol voor een architectenbureau zou je denken, maar de drie geven aan dat sollicitanten veelal beoordeelt worden op technische vaardigheden en softwarekennis, terwijl kwaliteiten als flexibiliteit en veerkracht vaak worden onderschat of niet worden meegewogen.
Hend realiseerde zich pas echt hoe veerkrachtig ze is toen ze zag hoe ondersteboven mensen kunnen raken door het verlies van een baan. Ze is al zo vaak verhuist, heeft zoveel banen verloren en kansen zien verdampen. Haar eerste gerealiseerde projecten in Syrië zijn plat gebombardeerd. De covid-pandemie en de oorlog hebben haar vertraagd. “Ik heb jaren verloren met verhuizen en settelen. Toch heeft het me verrijkt. Ik kan me niet voorstellen hoe het is om je hele leven op één plek te wonen. Ik nodig de vakgemeenschap uit om meer open te staan voor nieuwe perspectieven, want alles is uiteindelijk onzeker voor iedereen, niet alleen voor mij.”
Hier ligt een duidelijke verantwoordelijkheid niet alleen bij de overheid en onderwijsinstellingen, maar juist ook bij branche- en beroepsorganisaties, platforms en bureaus, kortom de vakwereld. Kansen liggen onder andere in het voorzien van heldere instroomroutes, een bredere definitie in wat waardevolle competenties zijn, een register met profielen en netwerken, en medemenselijkheid. Talent, ervaring, flexibiliteit en veerkracht zijn ruimschoots aanwezig zijn bij nieuwkomers. Het zijn juist deze unieke kwaliteiten die een waardevolle, verfrissende en noodzakelijke aanvulling zijn voor de Nederlandse ontwerppraktijk, als de vakwereld bereid is die ruimte te geven. Niet uit compassie, maar uit noodzaak voor een vooruitstrevende ontwerppraktijk.
onafhankelijke architectuurkritiek is niet vanzelfsprekend
Wil jij meer van dit soort artikelen lezen? Archined is een onafhankelijk platform en wordt financieel mogelijk gemaakt door haar leden, samenwerkingspartners en donateurs. Steun ook onafhankelijke architectuurkritiek,
Bedrag
Ander bedrag, namelijk: